De wettelijke eis dat een proeftijdbeding schriftelijk overeengekomen moet zijn, moet niet licht worden opgenomen. Dat moest een werkgever ervaren nadat een werknemer de rechtsgeldigheid van een ontslag met een beroep op de proeftijd aanvocht met de stelling dat het beding niet rechtsgeldig was overeengekomen, ondanks dat de werkgever het beding wel schriftelijk bevestigd had.
Wat was er aan de hand?
De werknemer had in december 2010 gesolliciteerd naar een functie in de jeugdzorg. Vervolgens was hij op 26 januari 2011 op sollicitatiegesprek geweest. Dat had er toe geleid dat hij op 1 februari 2011 in dienst was getreden. De aanstelling was bij brief van 31 januari 2011 bevestigd met vermelding dat in de arbeidsovereenkomst een proeftijd van een maand zou worden opgenomen. De aanstelling geschiedde onder het voorbehoud dat de werknemer nog informatie zou aanleveren en dat een antecedentenonderzoek niet zou doen blijken van bezwarende omstandigheden. Daarna zou een schriftelijke arbeidsovereenkomst ter ondertekening worden voorgelegd. Zo ver komt het echter niet en bij brief van 25 februari 2011 wordt de arbeidsovereenkomst door de werkgever beƫindigd met een beroep op het proeftijdbeding. De rechtsgeldigheid van dat proeftijdbeding (en daarmee de rechtsgeldigheid van het ontslag) wordt vervolgens natuurlijk prompt betwist vanwege het ontbreken van de handtekening van de werknemer. Het komt tot een kort geding bij de kantonrechter en in hoger beroep moet het gerechtshof oordelen over de rechtsgeldigheid van het proeftijdbeding.
Wat besliste het gerechtshof?
Het hof stelt voorop dat de wettelijke eis dat een proeftijdbeding schriftelijk overeengekomen moet zijn niet alleen de duidelijkheid beoogt te dienen, maar ook ten doel heeft om de werknemer te beschermen tegen een onverwacht plotseling verlies van zijn arbeidsplaats. De lat van de bewijslast, die op de werkgever drukt, moet daarom volgens het gerechtshof niet te laag worden gelegd. Tenzij vast staat dat mondeling overeenstemming is bereikt en deze overeenstemming door de werkgever eenzijdig schriftelijk is bevestigd, is vereist dat de werknemer een handtekening zet onder de arbeidsovereenkomst met een proeftijdbeding of onder een ander stuk dat verwijst naar een regeling waar de werknemer mee instemt en waarin de proeftijd is opgenomen. Nu de werknemer ontkent dat mondelinge overeenstemming over het proeftijdbeding is bereikt en een kort geding zich niet leent voor bewijsvoering, kan volgens het hof in kort geding niet van de rechtsgeldigheid van het proeftijdbeding worden uitgegaan.
http://www.kantoormrvanzijl.nl/arbeidsrecht/arbeidsrecht-actueel/artikel.html?tmple=64412